Medicijn en ziekte

Een antroposofische arts vormt zich een beeld van de patiënt en de ziekte. Hij let op de processen die juist in déze mens gaande zijn: hoe is zijn fysieke gesteldheid? Met welke instelling staat hij in het leven? Hoe is zijn levensloop? Hoe verloopt de ziekte? Op welke wijze is het dynamische evenwicht dat gezondheid heet in de loop van de tijd verstoord geraakt? Deze intensieve aanpak speelt met name bij ernstige, chronische of steeds terugkerende aandoeningen.

Drieledig mensbeeld
Bij de beeldvorming van de patiënt kan de antroposofisch arts ook uitgaan van het drieledig mensbeeld. Rudolf Steiner onderscheidde in het menselijk organisme drie functionele systemen: het zenuwzintuigsysteem, het ritmisch systeem en het stofwisselingsledematensysteem. De systemen worden ook wel aangeduid met bovenpool, middengebied en onderpool. Bij ziekte is de balans tussen deze drie systemen verstoord.

LICHAAM Zenuwzintuigsysteem (bovenpool)
Basis van het denken
Plaats van het waakbewustzijn
ZIEL Ritmisch systeem (middengebied)
Basis van het voelen
Plaats van het droombewustzijn
GEEST Stofwisselingsledematensysteem (onderpool)
Basis van het willen
Plaats van het onderbewustzijn (slaapbewustzijn)

Principes bij behandeling
Bij het vaststellen van de behandeling spelen twee principes een rol.

  1. Het principe van het tegenovergestelde. De antroposofische arts behandelt hierbij een bepaald ziekteproces juist met het tegenovergestelde, bijvoorbeeld kou met warmte.
  2. Het principe van het ‘versterken’. Een te sterke werkzaamheid van de bovenpool kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een verzwakte werking in het gebied van de onderpool. Een medicijn kan werkzaamheid ondersteunen van de te zwakke onderpool.

Het beeld dat de arts van de ziekte heeft opgebouwd, wijst in de richting van bepaalde geneesmiddelen. De arts kan daarbij kiezen uit een groot aantal antroposofische geneesmiddelen, die variëren in bereidingswijze, in vorm en in wijze van toediening. Zo zijn er bepaalde plantencombinaties of samenstellingen van mineralen die bepaalde functies (bijvoorbeeld spijsvertering) of organen (bijvoorbeeld de huid) of de gezonde evenwichten versterken.